Afgelopen vrijdag heb ik mijn doodvonnis getekend.
Mijn hele aanstaande carrière heb ik gewoon nu al verpest in een soort netwerk-socialize something momentje van een minuut of tien.
Afgelopen vrijdag was er in het Rijksbureau voor Historische Documentatie in Den Haag een jaarlijkse dag georganiseerd door de Vereniging van Nederlandse Kunsthistorici voor kunsthistorici die heel wat voorstellen in dat wereldje en voor studenten die ooit hopen ook iets voor te stellen. Waaronder ik. Ik wou wel eens weten hoe dat allemaal reilt en zeilt in dat wereldje.
Na wat vergaderingen en presentaties kwam er dus gelegenheid om te kletsen met de genodigden. Aangezien daar dus alleen belangrijke mensen waren, wilden veel belangrijke mensen dus ook weten hoe belangrijk nieuwe gezichten waren.
Kunsthistoricus: ‘Zijn er nog bruine broodjes?’
(aangezien ik toevallig naast – nee toevallig kan dat trouwens niet zijn- de broodjes stond..)
Ik: ‘Zo te zien… Ja hier nog een!’
Hij stelde zich voor, en ik ook.
Kunsthistoricus: ‘Ben je ook kunsthistoricus?’
Ik: ‘Nee hoor, gewoon student’.
Kunsthistoricus: ‘Ah. Waar studeer je?’
Ik: ‘Aan de UvA. (ik dacht, laat ik er een intellectuele vraag achteraan gooien) En waar heeft u gestudeerd?’
Kunsthistoricus: ‘Aan de Universiteit van Utrecht. Zeg, ken je (hij noemde een naam – nog nooit van gehoord)? Hij geeft tegenwoordig ook les aan de UvA. Dat was mijn promotor’.
Ik: ‘Nee, nog nooit van gehoord’.
Kunsthistoricus: ‘Oh. Waar ligt je intresse?’
Ik: ‘Nou… ik ben nog eerste jaars weet u, en mijn interesse is nog best breed. Ik sta overal wel voor open. Hoewel, de periode voor de moderne kunst vind ik eigenlijk wel het interessantst. Daar is echt aandacht aan besteed, naar mijn mening. In schilderijen, beeldhouwwerk en architectuur zit zoveel werk en aandacht. Dat vind ik echt mooi. En ik hou nou eenmaal van mooie dingen. (lezers, let op. Ik ben eerste jaars. Ik wil dus soms nog wel wat ongenuanceerd uit de hoek komen) (ik dacht op dat moment aan de dingen die ik niet zo mooi vond. Kadinsky, Miro, COBRA..) Ja, moderne kunst vind ik gewoon lelijk’.
O mijn god, op het moment dat ik het woord LELIJK uitsprak dacht ik bijna dat die man in zijn broodje stikte. Ik twijfelde om op zijn rug te kloppen of om mijn woordkeuze te verbloemen door een wedervraag te stellen. Ik probeerde eerst een vraag. Als hij echt moeite had met het brood kon ik alsnog op zijn rug slaan.
Ik: ‘En wat is uw specialiteit?’
Kunsthistoricus: ‘Moderne kunst’.
Ik wist dat ‘lelijk’ al foute boel was maar nu ik wist dat Moderne kunst zijn vak was zakte ik al helemaal door de grond. Want niet alles is lelijk! Art Nouveau is niet lelijk, Impressionisme is niet lelijk. Marcel Duchamp en het Dadaïsme is niet lelijk. Amsterdamse school is ook niet lelijk! Hij keek me echt aan alsof ik poep aan het eten was.
Waarom kon ik niet gewoon interessant lopen doen net als de andere twee aanwezige studenten?
Ondertussen maak ik me technische kennis van schilderijen en beelden al aardig eigen, bouwkundige termen is ook niet geheel onbekend meer.
Maar kan ik misschien een extra college krijgen over sociale communicatie in wetenschappelijke kringen?
