ALBERT HEIJN DAKLOZEN

Overal waar je bent in Amsterdam zit een supermarkt echt op steenworp afstand. Sommige zitten soms zelfs zo dichtbij dat ik soms even naar binnen schiet zonder jas en op slippers om koekjes bij de thee te halen. Of een nieuw lampje omdat het anders binnen zo donker is. Bij wijze van spreke. Maar goed, juist omdat de supermarkten op steenworp afstand zijn kom ik er elke dag en doe ik niet aan hamsteren. Dat betekend dat ik meestal met enkele euro’s op zak naar binnen loop en vaak zijn dat nog de laatste ook. Eenmaal bij de deur staat er dan een vriendelijk ventje voor de deur. Je kent ze wel. De ene keer met een hond, andere keer met een mondharmonica en meestal met een of andere daklozen magazine.

Vanaf het moment dat ik hem zie staan stuit ik al op de volgende problemen. Ik ben een consument, hij een dakloze. Hij staat daar al de hele dag in weer en wind naar iedereen vriendelijk te lachen en ik kruip straks weer boven op mijn verwarming. Hij staat daar smachtend naar enig liefdadigheid, ik word geacht in staat te zijn om de medemens te helpen. Hij heeft een rot gebit en ik heb al mijn tanden nog. Glanzend en wit. Dus als ik doorloop zonder hem aan te kijken dan ben ik een harteloze trut. Als ik hem vriendelijk groet en hij lacht vriendelijk terug met zijn boekjes en dan… POTJANDORIE!! ik hoef die stomme boekjes niet. Wat moet ik nu doen? Dus ik groet hem toch en vlucht de winkel in. Ik kan tenslotte altijd nog zo’n boekje aanschaffen als ik de winkel uit kom. Tegen de tijd dat ik bij de komkommers arriveer ben ik zijn Puss in boots-blik alweer vergeten. Er moet namelijk zo efficiënt mogelijk gewinkeld worden.

Zodra ik de kassa ben gepasseerd krijg ik al de kriebels. Want daar staat meneer de dakloze weer en hij kan zien wat voor een onzin ik allemaal heb gekocht want dat heb ik dan allemaal in die gratis doorzichtige zakjes heb gepropt. Ik voel me schuldig omdat ik weet dat ik zo’n boekje niet wil. En morgen en overmorgen ook niet.  Als hij in gesprek is geraakt heb ik geluk. Zonder schuldgevoel kan ik hem passeren, hij ziet me niet.  Als dat niet het geval is, zeg ik toch maar gedag tegen hem want ook al hoef ik zo’n krantje niet, harteloos ben ik niet. Eenmaal uit de Albert Heijn voel ik me semi-opgelucht. Het is me weer gelukt om deze ethische kwestie te omzeilen. Maarja, als ik over de markt loop hoef ik ook niet elk kraampje gedag te zeggen. Dus hij is geen bedelaar. Het is juist goed dat hij deze krantjes verkoopt in plaats dat hij zijn ene handje ophoud en in zijn andere hand een blik bier. Maar wat nou als iedereen net als ik die boekjes niet wilt hebben? Verpest ik dan een van de weinige kansen die hij heeft om de moed er in te houden? Om zo enigzins onder de aandacht te blijven van de zogenaamde verzorgingstaat liefdadigheids instellingen die heel welvarend Nederland voorhoud dat niemand hier dakloos hoeft te zijn? Because… been there done that en het heeft ooit niet veel gescheeld of ik zou waarschijnlijk ook voor de AH terecht gekomen zijn.

Dus wat maakt het nou erger? Het feit dat ze hoe dan ook op je gevoel in weten te werken of mijn eigen spastische gedachten?

south-park-tv-b77